Ga direct naar
Inhoud

Fouten en vergissingen

woensdag 26 mei 2010 In deze bijdrage gaat het over het nut om bij rekenen en spelling onderscheid te maken in fouten en vergissingen.

Het verschil tussen een fout en een vergissing is dat je een vergissing eigenlijk niet had hoeven te maken en een fout wel. Een vergissing veronderstelt een zekere beheersing, maar door factoren als concentratie, verlies in het korte termijngeheugen en dergelijke, kwam je niet tot correcte productie. Hoe kom je erachter wat fouten en wat vergissingen zijn?

Voordat we deze vraag met twee voorbeelden beantwoorden, eerst nog het volgende. We gaan ervan uit dat leerlingen met D-scores grosso modo een minder zware zorgaanpak hoeven te krijgen dan leerlingen met E-scores.

Eerst een spellingvoorbeeld. Een spellingzwakke leerling komt op de spellingtoets van het leerlingvolgsysteem uit op E-niveau. Je vermoedt dat dit naar beneden toe een wat geflatteerde score is. Anders gezegd: de uitslag valt je tegen.

Je laat de leerling op een bepaalde wijze de gemaakte fouten verbeteren: je noteert van de leerling steeds drie woorden uit het gemaakte toetswerk op een blad: twee correct geschreven woorden en een niet-correct geschreven woord. Je geeft aan dat hij/zij twee woorden goed heeft geschreven en één fout. Je laat de woorden lezen en vraagt aan te geven welk woord haars/zijns inziens fout is. Wijst de leerling het foute woord aan, dan geef je gelegenheid dat woord op de goede manier op te schrijven. Is dat woord nu correct, dan is de gemaakte fout een vergissing. Zo ga je alle gemaakte foute woorden langs. Alleen de verbeterde woorden beschouw je als vergissing. Ga vervolgens na wat met het verminderde aantal fouten het spellingniveau op de lvs-toets zou zijn geweest. Stel dat de leerling nu op D uitkomt, wat dan? Officieel blijft de score gewoon E, maar naar aanpak toe beschouw je haar/hem als een D-leerling. D-leerlingen hebben vaak een minder intensieve zorgaanpak nodig dan E-leerlingen. En dat is dan het nut van fouten-/vergissingenonderzoek, namelijk dat je soms geen zware, intensieve zorg hoeft in te plannen.

Hoe gaat het bij rekenen? Eenvoudiger. Stel: een leerling haalde E op de rekentoets van het lvs. Je geeft van een gemaakte rekentoets gewoon bij elke foute opgave de gelegenheid die opnieuw uit te rekenen. De herstelde fouten beschouw je als vergissingen. Met het verminderde aantal fouten kijk je weer naar de normen. Stel dat de leerling nu op D uit zou komen, welnu, dan overweeg je rekenzorg op D-niveau en niet op E-niveau.

Enkele slotopmerkingen. Ten eerste: bij kinderen die diep in E scoren, heeft het fouten-/vergissingenonderzoek geen zin. Het zal voornamelijk om echte fouten gaan. Ten tweede: kinderen die op bovengenoemde manier als D-leerlingen zijn te beschouwen, hebben veelal niet zozeer een (ortho)didactische aanpak, maar meer een specifieke werkhouding-gerelateerde aanpak nodig. Het voert te ver om in het kader van deze bijdrage hierop dieper in te gaan.

Tenslotte vermelden we nog een variant die we van een collega ontvingen. Stimuleer het kind extra het gemaakte werk nog een keer door te nemen. De opdracht daarbij is dat het met een andere kleur pen een klein krulletje zet bij een woord waarvan het zeker weet dat het goed is (het is bij sommige kinderen uiterst relevant om te weten waar ze zeker van zijn; sommigen twijfelen ongeveer aan alles). Ook moet een klein stipje worden gezet bij een woord waar getwijfeld wordt en er moeten twee stipjes worden gezet bij een woord waarvan het kind zeker weet dat het fout is. Dat van krullen en stipjes voorzien werk wordt door de leerkracht met de leerling besproken.

C.C. Geluk, orthodidact.

 

 

«Terug

Archief > 2010

december

september

mei





Snelkoppelingen
Volg ons op