Ga direct naar
Inhoud

Autisme Spectrum Stoornis: materialen en tips

maandag 20 september 2010 Het lijkt of het steeds vaker voorkomt op scholen: kinderen met een stoornis in het autisme spectrum (ASS)… Hoe gaan we hier mee om? Hoe kunnen we in de praktijk van alledag deze kinderen begeleiden en hen de hulp geven die ze nodig hebben?

Allereerst door te kijken naar wat dit kind in deze groep, van deze leerkracht, enzovoort, nodig heeft. Wat vraagt dit kind van mij als leerkracht? Om goed af te stemmen op het kind is niet altijd een diagnose nodig (hoewel in de praktijk blijkt dat dit nog wel eens tot meer begrip van de leerkracht leidt en als gevolg daarvan tot meer ‘ruimte’ om goed af te stemmen op het gedrag van het kind).
Desondanks kan het toch goed en nodig zijn om wel na te laten gaan of er werkelijk sprake is van ASS.

Uit recent onderzoek* blijkt dat bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zelfs vroeg herkennen en  diagnosticeren mogelijk is.
Het is belangrijk om wanneer kenmerken van ASS worden waargenomen dit tijdig te bespreken,
bijvoorbeeld op de geplande consultatie. Ouders kunnen zo nodig door middel van gesprekken en
dergelijke toegroeien richting onderzoek en mogelijke diagnose. Kinderen met ASS blijken grote
veranderingen, zoals de overgang naar het voortgezet onderwijs (VO) als bijzonder zwaar te ervaren.
Ervaringsdeskundigen (ouders met een kind met ASS) geven vaak aan het verstandig te vinden vóór deze  ingrijpende verandering onderzoek te laten plaatsvinden. Op deze manier kan het kind geboden worden wat het nodig heeft:

• Dat kan zijn psycho-educatie via de GGZ instelling, ouderbegeleiding in de omgang met het kind met ASS of aanvraag van een persoonsgebonden budget (PGB).
• Bij een duidelijke handelingsverlegenheid van school kunnen middelen aangevraagd worden om het kind adequaat te helpen middels een rugzak vanuit cluster 4.
• Oudere kinderen kunnen een training ‘Met plezier naar school’ volgen. Deze korte training wordt bijvoorbeeld gegeven bij Eleos of Indigo en mogelijk bij meer (GGZ-) instellingen. Kinderen worden voorbereid op de grote stap naar het VO. Ervaringen hiermee zijn positief. Kinderen vinden het zwaar om te volgen, maar ervaren het achteraf als prettig te weten wat er gaat komen en hoe ze daarop moeten reageren. Dit versoepelt de overgang van PO naar VO.

• Een methode om psycho-educatie te geven is ‘Ik ben speciaal’ door Peter Vermeulen (uitg. EPO 2005,
kosten € 25,--, boek met CD-rom). Het doel hiervan is kinderen in kleine stapjes in ongeveer 12
bijeenkomsten uit te leggen wat zijn/haar autisme spectrum stoornis inhoudt. Dit kan individueel of in
groepsverband. De methode is geschikt voor de ontwikkelingsleeftijd van 9-10 jaar. Diverse instellingen bieden deze training aan. Ook is het mogelijk dat deze training, na uitgebreide bestudering en bespreking met de schoolbegeleider, door de intern begeleider op school wordt aangeboden. Een variant van deze training is bestemd voor broertjes en zusjes van kinderen met ASS, genaamd ‘Ook ik ben speciaal’.

• Een andere methode, die breder insteekt, is ‘Handleiding voor jezelf’ (uitg. Manders/ Schrurs 2007, tevens de schrijvers ervan www.viahulp.com; onderdelen zijn los te koop). Deze methode is oorspronkelijk vervaardigd voor kinderen met ASS, maar is nu ook breder inzetbaar voor bijvoorbeeld kinderen met ADHD, een negatief zelfbeeld, problemen in de omgang met anderen. Om deze methode te kunnen gebruiken is een training vereist. De doelen van deze methode zijn bijvoorbeeld ontwikkelen van een zelfbeeld; leren kennen en omgaan met gevoelens; samenhang tussen gedachten, gevoelens en gedrag bevorderen; inzicht geven in dagelijkse gebeurtenissen; leren zien van eigen aandeel daarin; herkennen en erkennen van eigen sterke en zwakke kanten. Hieruit valt te zien, dat deze methode verder gaat dan psycho-educatie. Kinderen krijgen handvatten hoe te denken en te doen èn ze ontwikkelen nieuwe denkstrategieën. De minimumleeftijd voor deze training is 9 jaar en de training wordt 1-op-1 aangeboden. De methode bevat diverse werkboeken, werkbladen en praatplaten en is er ook als versie voor het VO en SBO. Er zijn scholen die de methode inzetten in de tijd die beschikbaar is voor individuele begeleiding betaald vanuit de rugzak.

Voor alles blijft centraal staan dat het de grote uitdaging is voor de omgeving van een kind met (mogelijk) ASS om te kijken naar de mogelijkheden die het kind heeft. Probeer die te benutten en leer het kind ze zelf goed in te zetten. Zie de poster over de sterke kanten van iemand met autisme.

Wanneer er specifieke onderwijsbehoeften blijven, richt je dan vooral op de dagelijkse praktijk: wat heeft dit kind nodig? Hoe kan ik dit kind (onder)steunen? Die vragen zijn feitelijk veel belangrijk dan de vraag of er sprake is van ASS. Zo’n diagnose helpt ‘slechts’ om te selecteren in de mogelijkheden van ondersteuning.

*Servatius-Oosterling, I.J. (2010), Toddlers with autism. Aspects of early detection, diagnosis and invention, Promotie onderzoek, Radboud Universiteit Nijmegen.

 

«Terug





Snelkoppelingen
Volg ons op