Ga direct naar
Inhoud

Dagboek van een orthopedagoog: worden als een kind

dinsdag 27 september 2011 Opdat Hij hetgeen iets is, beschamen zou - Toen ik de vraag kreeg om iets te schrijven over ‘een dag van een orthopedagoog’, wist ik hier even geen raad mee. Ga ik schrijven over een dag achter mijn bureau thuis (lekker saai), of over zo’n mega drukke gespreksdag dat ik consultaties heb op twee scholen. Of neem ik je mee met een dyslexie onderzoek of een psychologisch onderzoek wat ik één keer per maand uitvoer?

Wil ik een reëel beeld geven in de keuken, dan is het niet mogelijk dit vanuit één dag te beschrijven. Ik ga daarom schrijven naar aanleiding van een vraag die ik heel vaak krijg. Anneke, mis je het werk als leerkracht niet? Je vertelt nu niet meer uit de bijbel? Mogelijk dat jij als ib’er deze vraag ook weleens krijgt. Inderdaad een gemis, anderzijds mag ik ervaren dat ook in het werk als ib’er en als orthopedagoog er van die onverwachte meevallers zijn.

Ik moest een psychologisch onderzoek afnemen bij een ruim 6 jarige kleuter, een grote jongen, die met zijn houding geen raad wist, soms een bange blik in zijn ogen. Bij de kringactiviteiten van de klas deed hij nauwelijks mee. Als hij even meekeek met een meisje naast hem, stootte deze hem afwerend terug. De leerkracht maakte zich ook veel zorgen over hem.

Deze jongen glom toen hij met me mee mocht. Naast opdrachtjes en vragen die zijn cognitieve vaardigheden in kaart brachten, moest ik hem nog vragen stellen over basisemoties; ‘Wanneer ben je blij?’ vroeg ik hem. Daarop schoot hij overeind en zei enigszins verlegen; ‘op zondag’. Ik vroeg door; joh, waarom ben je blij op zondag? Waarop hij zei: ‘Dan spreekt de Heere’. Hierop zei ik dat de Heere gelukkig ook op andere dagen spreekt; waarop hij antwoordde met een stralend gezicht; ‘dan kan ik eigenlijk wel elke dag blij zijn! Het gesprek moest verder…. Wanneer ben je wel eens boos? Daarop kwam een verhaal dat hij wel eens boos wat op broertje en zusje en opeens eraan toevoegend: ‘maar niet op de Heere’.

Aan het eind volgde een spelletje met brievenbussen van zijn gezinsleden, waarin hij boodschapjes mocht stoppen. Evenwichtig stopte hij boodschapjes als ‘bij wie zit je het liefst op schoot’ bij zijn vader en moeder in het postbusje. Wanneer werd voorgelezen: ‘van wie ben jij de best vriend’… keek hij alle ‘gezinsleden’ langs, keek me vragend aan en zei: ‘van de Heere’. Na een tel niet wetend te reageren, pak ik een extra busje erbij; ‘dan mag je die hier in stoppen’. Het spel gaat door; wanneer echter het kaartje komt; ‘van wie krijg ik het liefste eten?’, werd heel pardoes het kaartje in het bakje voor ‘de Heere’ gestopt met de opmerking: ‘eten krijg ik van de Heere’. Het kaartje; ‘bij wie ben je het liefst als ik bang ben… ging ook direct naar het busje voor ‘de Heere’, terwijl andere kaartjes elders verdwijnen. Na schooltijd vertelde ik het verhaal aan zijn leerkracht. Zij antwoordde met grote bewogenheid: ‘Dan hoef ik me geloof ik niet meer zoveel zorgen om hem te maken’.

Anneke Struijk, orthopedagoog

«Terug





Snelkoppelingen
Volg ons op