Ga direct naar
Inhoud

Identiteit en veiligheid in lesmethodes

maandag 13 september 2010 Het reformatorisch onderwijs is niet meer uit onderwijsland weg te denken. Al vanaf de jaren 70 zorgen de scholen voor een belangrijke ”waarborging van de identiteit en veiligheid.”

Senior onderwijsadviseurs en projectleiders methodeontwikkeling Arie van Groningen en Henk Vermeulen zijn de drijvende krachten achter de ontwikkeling van speciaal lesmateriaal, gericht op leerlingen met een reformatorische achtergrond.

Anne-Mette Vergunst                                                  

De opkomst van het marxisme, de seksuele revolutie en de snelle ontwik­keling van de media; de onstuimige jaren 60 zorgen voor sterke golfbewe­gingen binnen onderwijsland.
Ook het protestants-christelijk on­derwijs verandert. Sommige scholen blijven de tradities volgen, andere kiezen voor sterk doorgevoerde mo­dernisering. Deze verschuivingen zijn aanleiding voor het ontstaan van de reformatorische scholen. De Driestar, tot dan toe kweekschool, begint met voortgezet onderwijs. In de loop van de jaren worden er steeds meer bouw­stenen gelegd voor reformatorische scholen.

Principes
Vermeulen: ”Een element dat eventu­eel nog een bedreiging kon vormen, was de gebruikte methode. Als in die methode een leefwereld naar voren kwam die principieel moest worden afgewezen, was het gebruik ervan een bedreiging voor de eigen identiteit.
In de jaren 80 bleek inderdaad dat de methodes steeds verder af kwamen te staan van de reformatorische leefwe­reld. Daarmee was niet alleen de vraag naar eigen scholen, maar ook de vraag naar eigen methodes geboren.”
Van Groningen: ”Incidenteel werd er vanaf het begin eigen lesmate­riaal gemaakt door vakgroepen of individuele docenten. In 1993 kwam de basisvorming met haar kerndoelen; refoscholen waren er bang voor dat de overheid te veel invloed zou krijgen op de inhoud van lesprogramma’s en methodes. Sommige scholen maakten al een eigen methode. Zo had de Guido de Brès een eigen geschiede­nisboek ontwikkeld, ‘Rekenschap’.
De kerndoelen mochten geamen­deerd worden, dat werd in landelijke vakwerkgroepen gedaan. Voor het eerst werkten scholen samen. De gangbare methodes behandelden niet altijd de onderwerpen die we in de reformatorische school van belang achtten. Er kwamen veel stencils met aanvullingen. Bovendien ontwikkelde het seculiere lesmateriaal zich in een bepaalde richting: qua lay-out en inhoud werd het steeds meer discu­tabel. Door de vraag naar eventueel aanpassen van de kerndoelen kregen de refoscholen het gevoel van urgentie en van mogelijkheid; we moeten nu de handen ineenslaan.

Eigen methodes
Om de zaken gestructureerd te laten verlopen, wordt de Stichting Dienst­verlening Gereformeerd Schoolon­derwijs (DGS) ingeschakeld. De pijlen worden in eerste instantie gericht op vakken die een sterk vormende, iden­titeitsgevoelige waarde hebben. ”Dit resulteerde in de methodes ‘Bronwij­zer’ (geschiedenis), ‘Fundamentaal’ (Nederlands), ‘Biologie Buitenge­woon’ (biologie) en ‘Laat zang en spel’ (muziek). De geschiedenis beschou­wen vanuit de Bijbel, waarbij de laatste paragraaf van elk hoofdstuk gaat over een christen in de desbetreffende periode. Taal benoemen als schep­pingsgave en klassieke muziek en psalmen als leidraad. Dit zijn enkele voorbeelden van een duidelijk verschil tussen de reformatorische en reguliere lesmethodes.”
Daarnaast vindt ook een aanpassing plaats van verschillende methodes.
Zo verschijnt er een speciale editie ‘Palet’ voor het vak culturele kunstzin­nige vorming binnen het vmbo. Ook het hoofdstuk over voortplanting in het biologielesboek ‘Nectar’ werd herschreven.

Doorlopend gesprek
Toch neemt het besef van de nood­zaak van eigen methodes onder docenten af: ”Over het algemeen zijn docenten tevreden, al zijn er ook kri­tische geluiden. Ze stellen extra hoge eisen aan materiaal dat uit eigen kring voortkomt. Wat men zelf maakte was voor eigen gebruik, wat nu gemaakt wordt, komt toch in zekere zin van ‘buiten af’. Daarbij zijn compromissen gesloten.”
Is er nog toekomst voor het gebruik en de ontwikkeling van eigen lesme­thodes? Vermeulen: “Wij maken geen gebruik van subsidies. De kosten van ontwikkeling en productie worden volledig gedekt door de huur-/ver­koopprijs van de boeken, terwijl de prijs vergelijkbaar blijft met die van reguliere methodes. In 2004 heeft het Dorvo er na een uitgebreide discussie voor gekozen om voort te gaan op de huidige weg: met vooral methodes voor de onderbouw, voor identiteits­gevoelige vakken. Maar het gesprek moet iedere keer opnieuw gevoerd worden. Er komen waarschijnlijk meer mogelijkheden om bestaande methodes van grote uitgevers aan te passen aan onze wensen. Hierbij speelt ook de digitalisering (printing on demand, Wikiwijs) een rol. Als de reformatorische scholen hun identiteit serieus nemen, zullen ze het belang blijven inzien van eigen methodes.”

«Terug

Share |

Archief > 2012

mei

april

maart

februari

januari





Snelkoppelingen
Volg ons op